Als een witte bergkoning torent de Huayna Potosi (6088 m) uit boven La Paz. Ze lonkt. Eigenlijk wilde buitensporters Jona Dekker (26) en haar vriend Mathijs (31) gaan rotsklimmen in de omgeving van de Boliviaanse hoofdstad, over een alpiene route hadden ze niet nagedacht. Jona had immers nog nooit een stijgijzer van dichtbij gezien? Aan de andere kant: volgens de hotelmedewerker was dit met een gids de ‘makkelijkste berg van Bolivia’...
Dus we besloten: we doen het! Een driedaagse tour met een gids. Na La Paz is het aan de voet van de Huayna Potosi een andere wereld. Geen drukke busjes met schreeuwende jongens die uit het raam hun bestemmingen roepen. Geen taxi’s volgestouwd met mensen of een verbaasd kijkende lama op de achterbank. Alleen stilte en zo nu en dan een auto waar een paar klimmers uitstappen.
We struinen gelijk omhoog van 4700 naar 5000 meter om te oefenen voor het echte werk. We klooien wat met onze stijgijzers aan de voet van de gletsjer, die de halve berg bedekt als een dikke, witte mantel, en constateren opgelucht dat we volledig geacclimatiseerd zijn. Maar goed ook, want de volgende dag begint de echte tocht.
Op naar 5130 meter. We lopen over rotspaadjes – ik hijg –, steilere rotspaadjes – we hijgen in koor, ik hijg alsof ik een kettingroker ben die de marathon loopt – en ten slotte klauteren we over een moordend steile morenerug (een oersteile wand van grote grijze blokken waarover een bijna onzichtbaar ‘pad’ loopt) – ik loop inmiddels achteraan. We praten weinig onderweg, we delen schaarse Spaanse woorden. Ademen is al moeilijk genoeg, laat staan dat we erg veel over hebben om onzinnige gesprekken te voeren.
Het is een tocht van maar een paar uur, maar de hoogte wint het langzaam van mijn uithoudingsvermogen. Ik volg de groep meters voor me op de morenerug , als een hondje dat totaal uitgeput tóch achter een hengel met een worstje aanrent. ‘Ik ben de enige vrouw’, praat ik mezelf moed in. Eén Fransman heeft het net zo zwaar als ik, of misschien nog wel zwaarder. Hij heeft hoofdpijn en is moe, zegt hij, als we samen achteraan lopen. Net als we het erover eens zijn dat het niet leuk meer is, horen we boven ons: ‘We zijn bij het kamp!’.
De Fransman moet kotsen en gaat beroerd in zijn tent liggen. Hij heef duidelijk last van hoogteziekte, maar hij wil nog niet naar beneden. We proberen allemaal om brood met avocado en tomaat naar binnen te werken. Het is lekker, maar het vult veel te snel op deze hoogte, onze spijsvertering is te traag. Ook slapen is niet makkelijk. Bedeesd klimmen we om drie uur ’s middags al in onze geïmproviseerde bedden. Het is koud, te vroeg en het eten ligt zwaar op de maag.
Twaalf uur ‘s nachts: gids Juan wekt ons met een vrolijk ‘ontbijt!’. Het avontuur gaat beginnen. Nog geen vijf minuten en een wit bolletje met banaan later wurmen we ons in de iets te grote, geleende sneeuwpakken, onze plastic D-schoenen, handschoenen, muts en klimgordel. Buiten trekken we aan de rand van de gletsjer onze stijgijzers aan. Mijn pickel dient in het begin als wandelstok, zegt Juan.
Wat volgt is een bizarre wandeling in het maanlicht. Gebogen loop ik over de steile sneeuwhellingen, hijgend om het weinige zuurstof uit de lucht te filteren. Het is een ritme, pickel-stap-stap. Verder is er geen geluid. Af en toe kijk ik op uit mijn oude-vrouwtjes-houding om de in wolken gehulde toppen aan de overkant van het dal te zien. Los van de gele lichtjes van La Paz ver onder ons, is alles gehuld in een zacht blauwig maanlicht.
We klimmen dertig meter over een loodrecht stuk ijs, lopen weer verder en moeten af en toe over een spleet springen. Het snot uit mijn loopneus is halfbevroren en de chocoladerepen die we bij ons hebben keihard. En de hele tijd heeft onze gids een klein beetje haast, want in het donker over een gletsjer lopen is veiliger. Nu is de sneeuw nog stroef en het ijs eronder nog hard.
Tegen de tijd dat de zon boven de horizon uit gluurt hebben we het laatste deel van onze tocht bereikt. We staan onder een tweehonderd meter hoge sneeuw- en ijswand met een hellingshoek van 45 graden, op praktisch 6000 meter hoogte. Ik heb het niet meer! Mathijs is moe en heeft hoofdpijn, zegt hij. Ik ben duidelijk nog veel moeër en heb ook hoofdpijn. ‘Ik weet niet of ik het nog kan’, zeg ik half jammerend tegen mijn maatje. Toch staan we een uur later opgelucht op de top. Allemaal, behalve de zieke Fransman, die is omgekeerd na nog meer overgeven. Ondanks een enigszins moedeloze jankbui halverwege de ijswand, heb ik het gehaald!
Onze beloning is het uitzicht: a-dem-be-ne-mend. De wolken, ver beneden ons, worden fel beschenen door de mooiste opkomende zon die ik ooit gezien heb. Mijn fototoestel klikt, bijna voor het eerst deze tocht. We zien het Titicacameer in de verte. En daar waar geen witte en zwarte toppen door de wolken heen pieken, daar waar alleen maar een eindeloze witte deken tot aan de horizon reikt, daar moet het Amazonewoud zijn. Een kort moment voel ik diepe ontroering, en trots.
Maar de glorie duurt niet lang, want zodra we een blik omlaag werpen beseffen we: we moeten nog helemaal terug. Nog steeds met kloppende hoofdpijn maar ook met frisse moed. Straks liggen we in een bed in La Paz... ‘Zuurstof!’, piept mijn hoofd. Maar eerst nog een paar uur buffelen, vallen in de sneeuw. Deze tocht is het zwaarste maar ook het meest bijzondere wat ik ooit heb gedaan, mijmer ik. Ook wel een beetje absurd: mijn eerste gletsjer zo hoog.
© Shesports.nl / Jona Dekker
Reageer
Je bent momenteel niet ingelogd, log in om een reactie achter te laten.